‘De Warande’ was er eind jaren ’80 erg aan toe. Afbraak dreigde. “De bouwfysische toestand”, zo stond nog en het advies van het toenmalige Bestuur van Monumenten en Landschappen op basis waarvan het huis het statuut van beschermd monument kreeg, “is ingevolge leegstand en gebrek aan onderhoud ermbarmelijk”.
Een nieuwe eigenaar, kunsthistoricus Paul Vandenbroeck, liet een aantal dringende herstellingswerkzaamheden uitvoeren:
‘De Warande’ werd door toedoen van Vandenbroeck op 2 oktober 1989 op het voorontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten geplaatst. Op 22 maart 1991 werd het huis door toenmalig minister Louis Waltniel als monument beschermd, “om reden van artistieke en historische waarde’.
Op 23 augustus 1999 kwam ‘De Warande’ in het bezit van Elisabeth Houben en Axel Buyse, met de bedoeling om het nog grotendeels bouwvallige huis verder te restaureren en er hun woonhuis van te maken. Dat ging niet zonder slag noch stoot – bij de opstart van de restauratie, begin 2004 die gebeurde met subsidies van de Vlaamse Overheid, de provincie Vlaams-Brabant en de stad Leuven, strooide de fiscus roet in het eten met een forse claim omdat het huis niet tijdig zou bewoond zijn. Via bizarre redeneringen kreeg de fiscus bovendien gelijk van de rechtbank – niet tijdig je bestelde elektrische keukenapparaten in huis krijgen gold als ‘overmacht’ – een aanslepende restauratie van een beschermd monument, met alle nodige voorstudies, is dat niet!
De restauratie van ‘De Warande’, die volgens alle regels van de kunst gebeurde onder toezicht van ir. Piet Stevens, werd grotendeels voltooid in 2006. In een latere fase moesten nog problemen met de dakgoten en met regenwater dat bij felle wind door de glasramen van de achtergevel sijpelde, opgelost worden. Dat gold ook voor vochtproblemen aan de kant van een aangrenzend studentenhuis. Intussen is ‘De Warande’ weer helemaal ‘ingeleefd’. Het huis kreeg kort na de restauratie de Monumentenprijs van de provincie Vlaams-Brabant en het eindigde als tweede voor de Vlaamse Monumentenprijs.
De strenge isolatienormen van de jongste jaren vormen het belangrijkste probleem voor het verder beheer van de woning. Ten tijde van de restauratie mocht er geen dubbel glas gebruikt worden. Een overschakeling nu zou tot hoge kosten leiden en volgens experts van Erfgoed bestaat de kans dat de muren bij een te sterke isolatie zouden beginnen ‘zweten’ door de zouten die er zich in al die eeuwen hebben opgehoopt. De stookkosten kunnen voorlopig evenwel perfect onder controle gehouden worden door middel van zware gordijnen en in geval van vriesweer het bijstoken met hout.
Het huis heeft tegenwoordig een barokke voorgevel. Die dateert luidens een ‘cartouche’ op die gevel uit 1664. Daarvoor had ‘De Warande’ naar alle waarschijnlijkheid een laatmiddeleeuwse trapgevel en nog daarvoor een houten voorgevel. Opmerkelijk aan het ‘voorhuis’ is het feit dat het structureel in verregaande mate intact is gebleven. De indeling is in de jongste eeuwen niet meer ingrijpend gewijzigd. Een van de grootste recente ingrepen was de verwijdering, in 1843, van de kruisvenster op de eerste verdieping. Delen van die vroegere vensterconstructie zijn in de kelder teruggevonden.
De zolderverdieping is opengewerkt met twee ovaalronde ‘oculi’ in de achtergevel. De dakconstructie met genummerde spanten en een grote windas is bewaard gebleven. In de top van de voorgevel bevindt zich een natuurstenen laadvenster. De gevel werd eind 2000 aan een uitgebreide, gedetailleerde materieel-technisch onderzoek onderworpen door Johan Grootaers van A.M. Consult.
Het beschermingsadvies beschrijft de voorgevel van het huis als een vier traveeën breed barok dwarshuis met twee bouwlagen … “opgetrokken in bak- en natuursteen, met natuurstenen gelijkvloers en verdieping. Geheel opengewerkte gelijkvloerse verdieping, opgevat als een winkelpui met drie rechthoekige vensters met doorlopende druiplijst waarboven een rij kleinere vensters waarvan de lateien zijn uitgewerkt als een geprofileerde puilijst. Barokke rondboogdeur met van blokwerk voorziene posten en zware festoenen in de zwikken. Gehistoriseerde trapeziumvormige sluitsteen, een hert in een warande of gesloten jachtterrein voorstellend”.
Het beschermadvies zegt nog: “Op de verdieping vier hoge rechthoekige vensters waarvan de lateien zijn doorgetrokken en die aldus een vooruitspringende druiplijst vormen. Gedeeltelijk bewaarde, eveneens okergele beschildering van het muurvlak tussen de vensters van het gelijkvloers en de verdieping, met het bijna onleesbare opschrift In De Warande Estaminet. In het midden van de verdieping een bas-reliëf met een putto op een wijnton, een duidelijke verwijzing naar de vroegere bestemmen [brouwerij en drankwinkel]. Bekroning met een topgevel die het midden houdt tussen een trapgevel en een halsgevel met voluten.”
Ing. Grootaers ging er bij zijn onderzoek van uit dat de gesmede muurankers die de zolderbalklaag in de voorgevel verzekeren, gerecupereerd zijn van de laatmiddeleeuwse gevel. De witstenen kruisvensterpartij van de bovenverdieping, die in 1842 verdween, zou volgens hem ook uit een vroegere periode hebben gestamd. Binnen in de woning vond de expert oorspronkelijk laatmiddeleeuws metselwerk, met kepervormige wandnissen uit diezelfde periode. Ook de achterwand van de voorkamer op de gelijkvloerse etage behoort tot de oudste bouwfase van het voorhuis.
Wat de voorgevel betreft, heeft Grootaers het over “een uitzonderlijke documentwaarde” voor de Brabantse bak- en zandsteenarchitectuur in de 17e eeuw in het hele hertogdom Brabant”. Hij verwijst naar de oorspronkelijke afwerking van de bakstenen delen van de gevel met een bont ‘alta rosa’. Een bewijs volgens hem dat het decoratief inschilderen en dagstrepen van parement niet enkel opgang maakte in de 18e eeuw, maar al eerder.
De huisscheidingsmuren op de gelijkvloerse en eerste verdieping waren in de 17e eeuw voorzien van een eenlagige kalkzandhaarbepleistering. Een muurbehandeling die samen moet bekeken worden met de alleen nog in de gelijkvloerse achterkamer – tegenwoordig keuken – aanwezige ‘geturkte’, gewelfde plafonds. Het interieur werd regelmatig gekalkt, eerste overwegend wit, later meer omber- en blauwwit, aldus Grootaers.